a

FAQ's

Is er een “vergeten holocaust” gebeurd in de periode van de Onafhankelijke Vrijstaat Congo (OVC) ?

Zouden één, tien, twaalf of dertien miljoen Congolezen zijn omgekomen tijdens het bewind van Leopold II over de Onafhankelijke Congolese Staat? Nogmaals, de verspreiding van de cijfers ontneemt hen alle geloofwaardigheid. Maar laten we de vermeende of mogelijke oorzaken eens nader bekijken.

Hier moet worden aangehaald dat de OVC, om de enorme kosten van zijn snelle ontwikkeling te financieren, ervoor gekozen had om naast de financiële bijdragen van Koning Leopold II ook een beroep te doen op verplichte bijdragen van de bevolking. Vermits deze nog niet beschikte over financiële middelen werd deze bijdrage geleverd in de vorm van prestaties allerhande in natura die per regio bepaald werden en strikt gereglementeerd waren qua inhoud, duur, hoeveelheden, enz. Het “rode rubber” wordt hierbij het hevigst aangevallen. De gruwelijke verhalen die zich verspreiden over hoe het is geoogst, wekken de indruk dat miljoenen inheemse mensen daarvan het slachtoffer zijn geworden. Maar de export overschreed nauwelijks 6.000 ton/jaar (1901), wat overeenkomt met een productie van 20.000 kg per dag. Met één kg of één pond zoals in Brazilië, of nog minder per man/dag, waren slechts enkele tienduizenden werknemers nodig. Wanneer men doorgezien had dat de methodes en de productie-eisen hiervoor te belastend waren, werden de voorwaarden die toegepast werden voor het uitvoeren van de oogst aangepast om beter rekening te houden met de afstanden die in het woud moesten afgelegd worden om bij de rubberhoudende lianen te geraken en om de verplichte prestaties efficiënter te beperken tot het wettelijk maximum van veertig uren per maand.

Spoorwegbouw? De meest dodelijke, de Chemin de fer du Congo (Matadi-Leopoldstad, telde 1.932 doden over zijn 400 km, waarvan vele, enkele honderden, niet Congolezen waren of stierven aan natuurlijke oorzaken in de medische faciliteiten van de maatschappij. Vóór 1908 werden er duizend km gebouwd over het hele grondgebied van de Onafhankelijke Congolese Vrijstaat. Het totale sterftecijfer kan dus op enkele duizenden worden geschat (merk op dat het sterftecijfer van de blanken verhoudingsgewijs veel hoger was dan dat van de zwarten). Ondanks deze hoge menselijke kost was het dodental van deze werken in Belgisch Congo vrij laag in vergelijking met de enorme verliezen die werden opgetekend – meer dan 17.000 personen – bij de bouw van de spoorweg Brazzaville-Oceaan. Ter vergelijking kan er ook op gewezen worden dat de aanleg van het Panamakanaal, het Suezkanaal en, meer recentelijk, het Drie ravijnenkanaal in China verhoudingsgewijs hoge en soms zelfs veel hogere sterftecijfers hebben teweeggebracht, ondanks de verbetering van de toegepaste veiligheidsmaatregelen.

De aanleg van caravansporen? Meestal volgden deze de route van reeds bestaande paden, die door lateriet of houtwerk werden gerectificeerd, vrijgemaakt, verbreed en gestabiliseerd, meestal zonder grondwerken. Dit werk werd uitgevoerd door de lokale bevolking, zonder langeafstandsreizen, en in principe in het kader van wettelijk beperkte verplichte diensten. Het kan dus nauwelijks dodelijk zijn geweest.

Menselijk transport? Cijfers hierover zijn beschikbaar op de belangrijkste transportas, tussen Matadi en Kinshasa, via de “Route des Caravanes”. Voor de aanleg van het spoor werden er jaarlijks 25.000 ladingen van 25 tot 35 kg getransporteerd in ongeveer 20 etappes van 20 tot 25 km per dag. Ook hier blijkt uit een elementaire berekening dat 3.000 permanent roterende dragers voldoende zouden zijn geweest. In feite waren er geen vaste dragers: zodra hun werk gedaan was, gingen ze naar huis. Meer kon men niet verwachten: het werk was te zwaar, maar kon onder deze omstandigheden nauwelijks dodelijk zijn. In feite namen ongeveer dertigduizend mannen om de beurt deel voor een periode van ongeveer twintig dagen per jaar.

Militaire operaties veroorzaakten veel meer doden, vooral tijdens de anti slavernij campagnes van 1890 tot 1894, toen de Arabieren en hun bondgenoten grote aantallen troepen verzamelden. Aan de andere kant waren bij de expedities naar de Nijl tegen de Mahdisten en de onderdrukking van de Batetela- en Budja-rebellen slechts enkele duizenden mannen betrokken. Bovendien moeten de OVC-troepen die aan deze expedities deelnamen, volgens de rangen van de officieren die het bevel over hen voerden, over het algemeen niet erg talrijk zijn geweest.

De militaire geschiedenis van de OVC. wordt vooral gekenmerkt door lijsten van dorpen die door de inwoners werden verlaten toen de troepen naderden, door een reflex die vergelijkbaar is met die van onze Belgische bevolking tijdens de oorlogen, en helaas ook door represailles en branden die werden gepleegd door weerbarstige of slecht bevolen soldaten die woedend waren omdat ze niets hadden gevonden om te plunderen. Het verslag van hun dubieuze prestaties leverde, samen met het “rode rubber”, de belangrijkste inhoud van de smaad campagnes tegen Leopold II op. De verhaallijnen lijken talrijk, maar bij nader inzien zijn ze gespreid over vele jaren en, wat de Europeanen betreft, gepleegd door een beperkt aantal brutale huursoldaten die toen, net als nu, werden aangetrokken door gewelddaden en avonturen, vooral in zeer afgelegen gebieden waar de controle van de administratieve autoriteiten van de OVC niet reikte.

​Maar het is vooral de moeite waard om de hulptroepen te vernoemen die onder bevel stonden van inheemse machthebbers die een deel van Kasai en Katanga in rep en roer hebben gestoken. De slachtoffers, die meestal op de vlucht waren, waren echter weinig talrijk: de Congolezen, die gewend waren aan stammenoorlogen, lieten hun dorpen gemakkelijk in de steek om zich bij de geringste dreiging elders te vestigen en namen hun schamele goederen en voedselvoorraden mee. De ontvolking van bepaalde regio’s was dus alleen maar schijn, evenals de voedseltekorten. In werkelijkheid wordt er geen enkele hongersnood gemeld van het soort dat momenteel wordt veroorzaakt door de oorlog in Zuid-Soedan, na vele andere die het gevolg zijn van een te snelle dekolonisatie, en die zeker veel dodelijker zijn dan de magere Leopoldiaanse militaire colonnes.

Het verlies aan mensenlevens als gevolg van de zojuist genoemde oorzaken werd waarschijnlijk geheel of gedeeltelijk gecompenseerd door de eliminatie van de slavernij – de Arabische klopjacht op mannen die een groot deel van het grondgebied van Congo verwoestte – het staken van stammenoorlogen, periodieke slachtpartijen door bloeddorstige potentaten en moorddadige of onmenselijke gebruiken, en door de weldadige actie van missionarissen en artsen.

​De belangrijkste sterftefactoren waren echter epidemieën, zoals pokken, en de verspreiding van voordien gelokaliseerde endemieën, zoals slaapziekte. Vaccinatie was al snel tegengesteld aan de eerste, maar tegen de tweede wist men lang geen raad: alleen al in 1901 stierven er 500.000 Congolezen aan, veel meer dan de slachtoffers van alle andere oorzaken samen. Longziekten en parasitaire infecties werden ook geïmporteerd of op grotere schaal verspreid door de verplaatsingen van de bevolking.

Zonder Leopold II zouden de belangrijkste doodsoorzaken net zo goed aan het werk zijn geweest, zodra de “terra incognita” zich openstelde voor de buitenwereld. We zouden net zoveel rubber nodig hebben gehad in de wereld, waar het overal op dezelfde manier werd geoogst, we zouden de slavendrijvers hebben moeten verdrijven, sporen en spoorwegen hebben moeten aanleggen, de acties van de weinige avonturiers hebben moeten ondergaan die bereid waren door te dringen in de equatoriale hel, en hebben moeten treuren bij het zien van dezelfde epidemieën.

Maar met hem is Congo de geschiedenis ingegaan: de eerste massale vaccinaties die onder zijn bewind werden uitgevoerd, waren een voorbode van de gezondheidsactie die de natuurlijke bevolkingsgroei van 3 tot 4 % zou brengen die het was vóór de OVC tot de 22% van de jaren 1950. Dank zij hem zullen zeker veel meer kinderen geboren zijn en veel meer zieke mensen genezen zijn dan dat er onder zijn bewind zijn gestorven. Het onrechtvaardige lot dat de bevolking van Congo sinds het begin der tijden heeft geplaagd, is ook opgeheven: Congo gaat mee de wereld in, en rechtstreeks de moderniteit in, en spaart zichzelf de lange, tragische en moorddadige geschiedenis die onze landen hebben moeten meemaken om dit te bereiken. Congo begint ook een natie te worden en zal een historische bestemming ontdekken: het politieke en economische zwaartepunt van Centraal-Afrika worden.